
Windparken op zee ontmantelen: waar innovatie nu het verschil maakt
De eerste Nederlandse windparken op zee naderen het einde van hun levensduur. Toch is er nauwelijks ervaring met het op grote schaal afbreken ervan. Een nieuwe TNO-studie voor RVO en TKI Offshore Energy laat zien waar het knelt en welke innovaties de afbouw schoner, ecologisch verantwoord, goedkoper en circulair kunnen maken.
Sinds 2007 draaien er turbines voor de Nederlandse kust. Wat begon als demonstratieproject, is uitgegroeid tot een energiesysteem op zee waar steeds meer huishoudens en bedrijven op leunen. Maar elk windpark heeft een eindpunt, en voor dat eindpunt bestaat nog geen beproefd draaiboek. Wereldwijd zijn pas weinig commerciële windturbines op zee volledig ontmanteld. Voor het volledig verwijderen van de grote monopiles van nu is er vrijwel geen praktijkervaring.
Van bouwen naar afbouwen: een opgave zonder draaiboek
Het eerste Nederlandse windpark op zee, bij Egmond aan Zee, blijft na een technische en ecologische evaluatie in bedrijf tot en met 2031. Daarna volgen meer parken, terwijl de bouw van nieuwe parken doorgaat. Havens, schepen en verwerkers krijgen daardoor te maken met twee stromen tegelijk: materiaal dat de zee op gaat en materiaal dat terugkomt.
Ook is nog niet uitgekristalliseerd wat ‘netjes opruimen’ precies betekent. Internationale kaders zoals UNCLOS, de IMO-richtlijnen en het OSPAR-verdrag gaan uit van volledige verwijdering, maar zijn grotendeels geschreven voor olie- en gasplatforms. De Nederlandse Wet windenergie op zee schrijft volledige verwijdering voor, met ruimte voor een vergunning voor gedeeltelijke verwijdering. Over de stortsteen rond funderingen (bescherming tegen wegspoelen van het zandbed) bestaat nog onduidelijkheid. OSPAR werkt aan regels die beter aansluiten op wind op zee.

“Voor de eerste parken wordt soms volledige verwijdering verwacht, terwijl de technologie om dat betrouwbaar te doen nog niet op schaal is bewezen. Die kloof moeten we eerlijk benoemen, want pas dan kun je er gericht aan werken.”
Literatuur en praktijkkennis gecombineerd
In opdracht van RVO en Energy Innovation NL | Offshore Energy onderzocht TNO welke kennis en innovaties het meest bijdragen aan ecologisch verantwoorde ontmanteling. De onderzoekers combineerden een verkenning van literatuur en markt met een workshop op 7 april 2026 in Amsterdam. Daar dachten 32 experts uit industrie, onderzoek, overheid en maatschappelijke organisaties mee over logistiek, wetgeving, ecologie en recycling.
Daarna beoordeelde het team bijna vijftig innovatiegebieden op zes criteria: kostenbesparing, ecologische voetafdruk, circulariteit, technische gereedheid, gereedheid van regelgeving en kansen voor de Nederlandse industrie. Die prioritering is nadrukkelijk indicatief. Ze helpt keuzes in oplossingen en innovatrajecten te structureren.
Onzekerheid is de duurste factor
Een rode draad in de studie: veel beslissingen worden genomen met weinig bewijs dat specifiek over ontmanteling gaat. Moet een monopile er helemaal uit, of mag het deel onder de zeebodem blijven zitten? Blijft stortsteen liggen als rif, of gaat het naar de kant voor recycling of hergebruik? Zolang die vragen per project opnieuw beantwoord moeten worden, lopen risico’s en kosten op.
Dat raakt ook de financiële kant. Sinds 2016 hanteert Nederland een bankgarantie voor ontmanteling van 120 duizend euro per megawatt. Die was bedoeld voor volledige verwijdering, maar is volgens de onderzoekers nauwelijks genoeg om alleen de turbines van 3 tot 5 MW weg te halen.

“Ontmanteling is niet klaar als het laatste onderdeel aan wal ligt. Zonder havenruimte en verwerkingsketens voor bladen, kunststoffen en magneten blijft circulariteit een ambitie op papier.”
Bij de funderingen scoort het volledig verwijderen van monopiles het hoogst. Technieken die de wrijving met de bodem verminderen via trillingen, soms gecombineerd met waterstralen, of die de paal van binnenuit omhoog drukken met waterdruk, laten potentie zien. Maar na twintig jaar of langer in de bodem is lastig te voorspellen hoeveel kracht nodig is om een paal los te krijgen. Zand en klei gedragen zich bovendien heel verschillend.
Afzagen onder de zeebodem is de gangbare en op dit moment een meer haalbare route. Die verstoort het ecosysteem wel meer en levert minder staal terug. En omdat monopiles steeds groter worden, groeit de afstand tussen installatie- en verwijdertechniek. De grootste rem op vooruitgang is het gebrek aan testmogelijkheden op ware grootte, in bodem die jarenlang heeft kunnen zetten.
Rond elke monopile ligt een laag met stenen die de bodem beschermt tegen uitspoeling. het weghalen gebeurt met grijpers. Dat is traag, kostbaar en verstoort de bodem. Volgens de studie wordt die complexiteit vaak onderschat, terwijl er relatief weinig onderzoek loopt naar efficiënte verwijdering.
Tegelijk ontstaat op die stenen in de loop der jaren een rijke gemeenschap van bodemleven. Volledige verwijdering vernietigt dat leefgebied. Stortsteenoplossingen die natuur versterken en kunnen blijven liggen, scoren daarom hoog in de prioritering, net als hergebruik van steen in andere offshoreprojecten. Of achterlaten ecologisch de beste keuze is, verschilt wel per locatie. En wie na afloop verantwoordelijk blijft voor wat achterblijft, is nog niet geregeld.
Kabels worden nu vooral uit de bodem getrokken en aan dek in stukken gesneden. Dat is relatief goedkoop, maar beschadigt de kabel en sluit hergebruik of hoogwaardige recycling uit. Kruisingen met andere kabels, diep begraven delen en de oudere kabels met bitumen in de kabelmantel maken het werk arbeidsintensief. Recycling richt zich vooral op koper,aluminium en staal, terwijl kunststof isolatiemateriaal zoals XLPE nog weinig aandacht krijgt.
Bij turbines is het hijswerk op zee de grootste kostenpost. Minstens zo lastig is wat er daarna gebeurt. Ruimte op havenkades is schaars, zeker als ontmanteling samenvalt met de bouw van nieuwe parken. Voor composietbladen, kunststoffen en permanente magneten is verwerking op grote schaal nog niet rond. Investeringen blijven achter zolang volumes en planning onzeker zijn.
Wat ecologisch beter is, hangt af van het gekozen eindbeeld. Volledige verwijdering brengt de zeebodem dichter bij de oorspronkelijke zandbodem, maar maakt ook de terugkeer van bodemvisserij mogelijk. Gedeeltelijke verwijdering behoudt een deel van het harde substraat, maar botst soms met regelgeving en kan een opstapje vormen voor uitheemse soorten.
Ook de verstoring tijdens het werk zelf is nog slecht in beeld. Onderwatergeluid, vertroebeling en scheepvaart worden vaak ingeschat op basis van aanleg en exploitatie, niet op metingen tijdens ontmanteling. Als meerdere parken in dezelfde periode worden afgebouwd, kunnen effecten zich opstapelen. In het Nederlandse Kader Ecologie en Cumulatie is ontmanteling nog geen aparte levensfase. Gerichte monitoring voor, tijdens en na ontmanteling moet die kennisgaten vullen.
De eerste parken als demonstratieterrein
De belangrijkste aanbeveling: benut de eerste Nederlandse ontmantelingsprojecten om technologie op ware grootte te demonstreren. Denk aan het verwijderen, vervoeren en verwerken van geselecteerde palen, kabels en stortsteen, gecoördineerd door een onafhankelijke partij samen met brancheorganisaties zoals GROW.
Voorwaarde is dat eigenaren, aannemers, technologieleveranciers en overheid kosten en risico’s delen. Alleen dan kunnen data en lessen ook breed gedeeld worden. De onderzoekers adviseren het innovatiedeel los te koppelen van het commerciële verwijdercontract, omdat innovatie een ander risicoprofiel heeft. In Duitsland loopt een vergelijkbaar initiatief rond windpark Alpha Ventus, waar Nederland op kan voortbouwen.
Daarnaast pleiten ze voor subsidies over de volle breedte van technologische volwassenheid, ook voor vroeg onderzoek. Verder vragen ze om investeringen in haven- en verwerkingsinfrastructuur in afstemming met andere Noordzeelanden, en om betere Europese afstemming van onderzoek naar het einde van de levensduur.

“Als we de eerste projecten slim inrichten, leert niet één partij, maar de hele sector. Dat is de snelste route naar ontmanteling die zowel betaalbaar als natuurvriendelijk is.”
Wat TNO bijdraagt
TNO werkt al langer aan het einde van de levenscyclus van wind op zee. Eerder rekenden we voor het ministerie van Klimaat en Groene Groei de kosten van ontmanteling door. In projecten zoals CIRCLE4WIN en EoLO-HUBs werken we met partners aan hoogwaardige recycling van composietbladen.
In deze studie brachten we technische, ecologische, juridische en economische kennis samen en vertaalden die naar concrete innovatieprioriteiten. Als onafhankelijke partij kunnen we demonstratieprojecten helpen opzetten, doorrekenen, monitoren en de resultaten ontsluiten voor de hele sector.
Download het rapport en denk mee
Het volledige rapport, met de prioritering per onderdeel en alle workshopuitkomsten, is nu te downloaden.
Ben je eigenaar van een windpark, aannemer, technologieontwikkelaar, havenpartij of beleidsmaker en wil je bijdragen aan een demonstratieprogramma? Neem contact op met Harald van der Mijle Meijer. Samen verkennen we hoe de eerste ontmantelingsprojecten de hele sector vooruit helpen.
Neem contact met ons op
Laat je verder inspireren
Slimme radar beschermt vleermuizen bij windpark Eemshaven


Hoogwaardig recyclen van windturbinebladen opschalen


Biodiversiteit


TNO en Jungle AI werken samen voor betere detectie cyberaanvallen op windturbines


TNO Unboxed #3 | Robotica


